Opslagtanks vormen het hart van elke biodieselinstallatie: hier wordt grondstof bewaard, tussenproducten gebufferd en eindproduct opgeslagen vóór aflevering. Een juist ontwerp, effectieve inertisering en betrouwbare niveaumeting zijn essentieel voor productkwaliteit, veiligheid en naleving van geldende normen.
Tankontwerp en materiaalkeuze
Biodiesel (FAME) en plantaardige oliën stellen specifieke eisen aan tankmateriaal en constructie. Gebruik bij voorkeur tanks van koolstofstaal (carbon steel S235/S355) of roestvrij staal (316L) voor producten met een hoog vrij-vetzuurgehalte of methanolresiduen. Aluminium is niet toegestaan voor methanol of bijtende katalysatoroplossingen.
Belangrijke ontwerpparameters:
- Werkdruk: atmosferisch tot licht overdruk (50–200 mbar) voor blanketingstanks
- Werktemperatuur: ruwe plantaardige olie bewaren op 40–60 °C om verpompen mogelijk te maken; biodiesel op omgevingstemperatuur maar boven het cold filter plugging point (CFPP) houden
- Conische bodem of verwarmingsmantel voor viskeuze producten
- Alle tanks voor ontvlambare vloeistoffen moeten voldoen aan PED 2014/68/EU en lokale ATEX-voorschriften
Dak- en tanktype worden bepaald door dampdruk en brandgevaar. Gebruik een vaste-daktank met interne zwevende deksel of een externe zwevende-daktank voor grote volumes brandbare stoffen om verdampingsverliezen te minimaliseren.
Gastankinertisering (Blanketing)
Blanketing is het afdekken van de dampruimte boven een vloeistof met een inert gas, doorgaans stikstof (N₂). Dit voorkomt:
1. Oxidatie van FAME en onverzadigde vetzuren (ranzig worden, verhoogd peroxidegetal)
2. Vorming van een brandbaar damp-luchtmengsel
3. Vochtigheidsopname (biodiesel is hygroscopisch; watergehalte moet < 500 mg/kg blijven conform EN 14214)
Een blanketingventiel regelt de N₂-toevoer automatisch bij drukval (bijv. bij pompen uit de tank) en opent een ontlastventiel bij lichte overdruk. Stel de drukinstelling in op +10 tot +30 mbar overdruk. Controleer dagelijks het N₂-verbruik; een onverwacht hoog verbruik wijst op een lek of defect ventiel.
Niveaumeting: methoden en selectie
Een betrouwbare niveaumeting is noodzakelijk voor voorraadbeheer, veiligheidsafschakelingen en ladingsdocumentatie. Gangbare meettechnieken in biodieselinstallaties:
- Radarmeters (guided wave radar / free-space radar): voorkeurskeuze voor FAME en olie; niet beïnvloed door schuim, stoom of dichtheidsveranderingen
- Differentiaaldruk (DP-transmitter): geschikt voor gesloten tanks; rekening houden met dichtheidswijzigingen bij temperatuurschommelingen
- Zweverpeilmeters (float-type): eenvoudig, maar minder nauwkeurig bij schuim of visceuze producten
- Magnetische peilstok of zichtglas: uitsluitend als back-up of voor lokale aflezing
Stel bij kritische tanks altijd een hoog-hoog (HH) en laag-laag (LL) alarmgrens in, gekoppeld aan een automatische pompstop of noodafsluiting. Kalibreer niveautransmitters minimaal jaarlijks en na elke onderhoudsbeurt.
Praktische richtlijnen voor operators
Voer dagelijks de volgende controles uit:
- Controleer de N₂-druk op het blanketingsventiel; waarde binnen +10 tot +30 mbar
- Lees niveaus af en vergelijk met DCS-weergave; afwijking > 50 mm melden
- Inspecteer leidingverbindingen, luiken en stikstofaansluitingen op lekkage
- Noteer tanktemperatuur; bij verwarmde tanks olietemperatuur niet boven 80 °C laten oplopen (risico op versnelde oxidatie)
Bij het ontvangen van grondstoffen altijd eerst een dip- of radarcontrole uitvoeren vóór het openen van de aanvoerleiding, om overvulling te voorkomen.
Veiligheidsoverwegingen
Stikstof is reuk- en kleurloos en kan in besloten ruimten leiden tot zuurstofverdringing. Voer nooit onderhoud uit aan een geblankette tank zonder:
1. Geldige werkvergunning (Permit to Work)
2. Aantoonbaar gespoeld te hebben met lucht tot O₂ ≥ 19,5%
3. Continue gasmeting met een gecertificeerde O₂-meter
FAME heeft een vlampunt > 120 °C (conform EN 14214), maar methanol (vlampunt 11 °C) dat als residu aanwezig kan zijn, verhoogt het brandrisico aanzienlijk. Behandel alle tanks die methanolhoudende stromen hebben verwerkt als ATEX-zone.
Veelgemaakte fouten
- Blanketingventiel uitschakelen om "N₂ te besparen" — dit leidt tot kwaliteitsverlies en brandgevaar
- Niveausensor niet herrekenen na productwissel met andere dichtheid
- Verwarmingselementen laten aanstaan bij een lege of bijna lege tank — risico op oververhitting en degradatie van restproduct
- Vergeten de high-level schakelaar (HLLS) te testen na onderhoud aan de tankafsluiter